zwijgspraak
's Morgens vroeg bij het vertrek kijkt ze me haast smekend aan. Geen column over ons reisdoel alsjeblieft. Eigenlijk liever helemaal geen column.
Ik mompel iets onverstaanbaars dat opgevat kan worden als een bevestiging en we gaan op weg.
Naarmate de dag op zeer plezierige wijze verstrijkt, stapelen de ideeën voor een verhaaltje zich op. Verdorie, en ik zal ze niet kunnen uitwerken?
Ik voel me als die Engelse gevangene die deze week zes miljoen pond heeft gewonnen in een loterij. Voor zijn eigen veiligheid is hij naar een strengere gevangenis overgeplaatst en is zijn weekendverlof ingetrokken. Ook ik heb nu een lotje uit de loterij, maar voel me door haar beperkt in mijn vrijheid van blijheidsuiting.
Ik neem me voor om te doen wat ik vroeger ook wel deed als me iets verboden werd: de mazen in de wet opzoeken, tegen de stroom in roeien, de omgekeerde psychologie toepassen. Kortom: de methode Mosje.
En dus.
Ze bestaat niet. Heeft geen naam, geen leeftijd en woont nergens. Ze werkt niet, heeft geen verleden en geen toekomst. Ik heb niet met haar gepraat. We hebben elkaar niet aangekeken en geen fysiek contact gehad. We hebben geen plezier beleefd, niets gedronken en ook niet samen gegeten. De dag van ons uitstapje is verdwenen. Augustus 2004 telt slechts dertig dagen.
En mocht ik een dezer dagen door Niettemin gebeld worden met de vraag: "Waarom toch een column?" dan zal ik zeggen:
"Lieve Nietje, ten eerste gaat dat stukje echt nergens over, ten tweede bestaat het helemaal niet, en ten derde was het al geschreven voordat ik je ontmoette."