[drs.mos]e

archief 2004


28 augustus 2004

springstof

Gisteravond keek ik met mijn vriendin naar het olympische springconcours.
"Zeg Mosje, die springpaarden, zijn dan hengsten of merries?"
"Merries" gokte ik, in de hoop dat het onderwerp daarmee afgedaan zou zijn.
"Maar waarom dan, kunnen hengsten niet springen?"
Mijn vriendin lijkt op mijn kinderen toen ze jong waren. Eindeloos doorvragen en je daarmee in grote verlegenheid brengen.
"Nou jawel, maar ze hebben een handicap."
"Wat dan?"
"Tja, ze krijgen soms op de meest ongelegen momenten een erectie, en daarmee kunnen ze zomaar de balk van een oxer afwerpen."
"Zo'n erectie kunnen ze toch opbinden?"
Ik dreigde weer eens volkomen vast te lopen.
"Ja, maar dan gaan die paarden bokken, en ze moeten juist springen."
Mijn vriendin leek tevreden, maar na een minuut of vijf veerde ze weer op.
"Zeg Mosje, hebben mannelijke hoogspringers dan geen last van hun erecties?"
"Nou nee, want die springen sinds 1968 met de fosburyflop, kont naar beneden dus."
"Fosburyflop, heet dat zo?"
Ik was in mijn element, eindelijk een vraag waar ik fatsoenlijk antwoord op wist.
"Jazeker, tijdens de olympische spelen van 1968 heeft Richard Flosbury voor het eerst de sprong op die manier uitgevoerd. Tot dat moment maakte iedereen buiksprongen. Natuurlijk heeft die Flosbury gewonnen toen. Met een sprong van 2,24 meter als ik me goed herinner."
Ik dacht dat dit antwoord haar wel zou imponeren, maar ze keek me met ietwat vochtige ogen aan.
"Mmozje, ik vind dat paardengespring niet meer zo leuk, zullen we naar bed?"
Wat volgde was een liefdesspel met olympische allure. Ik heb alle hindernissen met gemak genomen, mede dankzij de mosjeflop. Mijn vriendin toonde zich daarbij een echte amazone.
"Mozziefozzie," fluisterde ze lief, "wil je een barrage?"