"Het grootste wat ik gezien heb is toch wel de Sint Pieter."
"Mosje, het is het grootste dat ik ooit gezien heb."
"Oh, heb jij hem ook gezien?"
"Nee, maar je moet dat zeggen en niet wat."
"Wat moet ik zeggen?"
"Dat moet je zeggen."
"Maar dat zei ik toch?"
"Nee, dat zei je niet, je zei wat."
"Ik geloof dat ik het spoor bijster raak."
"Kijk, nu zeg je dat, heel goed."
"Is het goed dat ik de weg kwijt ben?"
"Nee, dat niet natuurlijk, maar waar hadden we het ook alweer over?"
"Over de Sint Pieter, en dat die kerk groter is als andere kathedralen."
"Mosje, de Sint Pieter is groter dan andere kathedralen."
"Begin je nou alweer, dat zei ik toch?"
"Nee, dat zei je niet, je zei groter als."
"Ik houd ermee op hoor, ik vertel je een andere keer wel van mijn vakantie."
"Je mag wel verder vertellen, als je de woorden als en dan maar goed gebruikt."
"Goed, dus het is groter dan, en niet groter als?"
"Precies!"
"Nou, die Sint Pieter, die is dus al imposant van veraf, maar hij is nog groter dan je hem van dichtbij bekijkt."
|
|
|
|