Keurig leefde jij de afspraken na. De bondscoach vroeg jou om hangende spits te zijn, en jij bungelde dat het een lieve lust was.
De keer erop werd jou gevraagd om in de ruit naar achteren te spelen, en dus speelde jij naar achteren. Zozeer zelfs dat een medespeler schreeuwde dat het doel van de tegenstander de andere kant op was.
Een wedstrijd later kreeg jij de opdracht om schaduwspits te zijn. Dat lukte goed, want de zon scheen volop, en de hoofdtribune wierp een zware schaduw over het veld. Daar ben jij niet buiten geweest.
Het mocht allemaal niet baten. De bondscoach was ontevreden over de resultaten en jij kreeg steeds een andere naam opgeplakt. Oprukkende linksachter bijvoorbeeld, en jij rukte je een ongeluk, maar de wedstrijd erna heette het alweer anders. Inkomende middenvelder.
Om hoorndol van te worden. Toen jij dat aan de bondscoach opbiechtte, wees hij naar de bank. Bankzitter, die positie had jij nog niet bekleed.
In de wedstrijd der wedstrijden kreeg jij alweer een andere taak. Breekijzer. Wat een breekijzer moest doen was niet erg duidelijk, maar het klonk wel heel erg manhaftig.
Toen het er niet zo heel erg goed uitzag voor jouw ploeg, moest jij invallen.
Ik zal het ijzer breken als het heet is, dacht jij, en sprong alle tegenspelers in de nek, tastte in hun kruis, en trapte tegen scheenbenen, enkels en achilleshielen.
In de kranten en op tv werd kritisch gesproken over jouw optreden. Hij had moeten voetballen, zeiden de analytici, voetballen en doelpunten maken.
Voetballen en doelpunten maken, waarom had de bondscoach dat eigenlijk nooit tegen jou gezegd?
|
|
|
|